|
SOORTEN GEVAAR/ BLOOTSTELLING
|
ONMIDDELLIJK GEVAAR/ SYMPTOMEN
|
VOORKOMEN
|
EERSTE HULP/ BRANDBLUSSEN
|
|
BRAND
|
Niet brandbaar.
Verhitting zal de druk doen toenemen met kans op barsten.
Er komen irriterende of giftige dampen (of gassen) vrij tijdens een brand.
|
|
In geval van brand in de omgeving: alle blusmiddelen toegelaten.
|
|
ONTPLOFFING
|
|
|
In geval van brand: drukhouder koel houden door te besproeien met water.
|
|
|
|
BLOOTSTELLING
|
|
|
|
|
Inademing
|
Duizeligheid.
Hoofdpijn.
Bewusteloosheid.
|
Verluchting.
|
Frisse lucht, rust.
Kunstmatige ademhaling kan nodig zijn.
Raadpleeg een arts.
|
|
Huid
|
BIJ CONTACT MET VLOEISTOF: BEVRIEZING.
|
Isolerende handschoenen tegen koude.
|
BIJ BEVRIEZING: spoel met veel water, verwijder kledij NIET.
Raadpleeg een arts.
|
|
Ogen
|
Roodheid.
Zie huid.
|
Stof- of spatbril of
oogbescherming in combinatie met ademhalingsbescherming.
|
Eerst gedurende verschillende minuten spoelen met veel water (indien mogelijk contactlenzen wegnemen), dan naar een (oog)arts brengen.
|
|
Inslikken
|
|
|
|
|
OPRUIMEN VAN GEMORSTE STOF
|
OPSLAG
|
VERPAKKING & ETIKETTERING
|
Verluchting.
NOOIT een waterstraal op de vloeistof richten.
(Persoonlijke bescherming: chemisch bestendig werkpak met onafhankelijk werkend ademhalingsapparaat.)
|
Brandveilig indien in een gebouw.
Koel.
|
R:
S:
VN Gevarenklasse: 2.2
|
|
LEES BELANGRIJKE INFORMATIE OP DE ACHTERZIJDE
|
|
ICSC: 0837
|
Gemaakt binnen het kader van de samenwerking tussen het Internationaal Programma over Chemische Veiligheid en de Commissie van de Europese Gemeenschappen (C) IPCV, CEG 2002
|
|