|
SOORTEN GEVAAR/ BLOOTSTELLING
|
ONMIDDELLIJK GEVAAR/ SYMPTOMEN
|
VOORKOMEN
|
EERSTE HULP/ BRANDBLUSSEN
|
|
BRAND
|
Brandbaar.
Er komen irriterende of giftige dampen (of gassen) vrij tijdens een brand.
|
GEEN open vuur.
|
Sproeistraal van water,
poeder, koolzuurgas.
|
|
ONTPLOFFING
|
|
|
|
|
|
|
BLOOTSTELLING
|
|
|
|
|
Inademing
|
Hoesten.
Keelpijn.
|
Verluchting, plaatselijke afzuiging of ademhalingsbescherming.
|
Frisse lucht, rust.
|
|
Huid
|
Roodheid.
|
Beschermende handschoenen.
|
Verwijder besmette kledij.
Spoel en was daarna de huid met water en zeep.
|
|
Ogen
|
Roodheid.
|
Veiligheidsbril.
|
Eerst gedurende verschillende minuten spoelen met veel water (indien mogelijk contactlenzen wegnemen), dan naar een (oog)arts brengen.
|
|
Inslikken
|
|
Niet eten, drinken of roken tijdens het werk.
|
Spoel de mond.
Rust.
|
|
OPRUIMEN VAN GEMORSTE STOF
|
OPSLAG
|
VERPAKKING & ETIKETTERING
|
Vang voor zover mogelijk de weglekkende en de gemorste vloeistof op in afsluitbare metalen vaten.
De overblijvende vloeistof in zand of inert materiaal laten opslorpen en naar een veilige plaats voeren.
Deze stof NIET in het milieu laten terecht komen.
(Persoonlijke bescherming: filtermasker met A/P2 filter voor organische dampen en schadelijk stof.)
|
Gescheiden van
sterk oxiderende stoffen.
|
Is vervuilend voor de zee.
R:
S:
|
|
LEES BELANGRIJKE INFORMATIE OP DE ACHTERZIJDE
|
|
ICSC: 0834
|
Gemaakt binnen het kader van de samenwerking tussen het Internationaal Programma over Chemische Veiligheid en de Commissie van de Europese Gemeenschappen (C) IPCV, CEG 2002
|
|