|
SOORTEN GEVAAR/ BLOOTSTELLING
|
ONMIDDELLIJK GEVAAR/ SYMPTOMEN
|
VOORKOMEN
|
EERSTE HULP/ BRANDBLUSSEN
|
|
BRAND
|
Brandbaar.
Er komen irriterende of giftige dampen (of gassen) vrij tijdens een brand.
|
GEEN open vuur.
|
Sproeistraal van water, poeder.
|
|
ONTPLOFFING
|
|
|
|
|
|
|
BLOOTSTELLING
|
|
|
|
|
Inademing
|
Hoesten.
Keelpijn.
|
Plaatselijke afzuiging of ademhalingsbescherming.
|
Frisse lucht, rust.
|
|
Huid
|
Droge huid.
Roodheid.
|
Beschermende handschoenen.
|
Verwijder besmette kledij.
Spoel en was daarna de huid met water en zeep.
|
|
Ogen
|
Roodheid.
Pijn.
|
Stof- of spatbril.
|
Eerst gedurende verschillende minuten spoelen met veel water (indien mogelijk contactlenzen wegnemen), dan naar een (oog)arts brengen.
|
|
Inslikken
|
Diarree.
Misselijkheid.
Braken.
Bezijming. Stuiptrekkingen. Coma.
|
Niet eten, drinken of roken tijdens het werk.
|
Spoel de mond.
Raadpleeg een arts.
|
|
OPRUIMEN VAN GEMORSTE STOF
|
OPSLAG
|
VERPAKKING & ETIKETTERING
|
Veeg de gemorste stof bij elkaar en schep in vaten; indien nodig, eerst nat maken om stofvorming te voorkomen.
Verzamel zorgvuldig de restanten
en voer daarna naar een veilige plaats.
Deze stof NIET in het milieu laten terecht komen.
(Bijkomende persoonlijke bescherming: filtermasker met P2 filter voor schadelijke deeltjes.)
|
Droog.
In een goed verluchte ruimte bewaren.
|
R:
S:
|
|
LEES BELANGRIJKE INFORMATIE OP DE ACHTERZIJDE
|
|
ICSC: 0387
|
Gemaakt binnen het kader van de samenwerking tussen het Internationaal Programma over Chemische Veiligheid en de Commissie van de Europese Gemeenschappen (C) IPCV, CEG 2002
|
|